Waterbeheer

Peilbeheer

Het regelen van het peil in de waterlopen is een van de belangrijkste hoofdtaken van een polder. Het peilbeheer wordt bepaald door het weer. Denk maar aan het ophouden van water en bevloeien in droogteperiodes of de strijd tegen het water bij overlast.

Als waterbeheerder is het bijgevolg van groot belang om de weersvoorspellingen te volgen om te kunnen inspelen op wat komen zal. Dankzij een groot aantal kunstwerken op de waterlopen is anticipatie mogelijk.

De Oostkustpolder heeft al veel en blijft ook investeren in het plaatsen en optimaliseren van kunstwerken. Enkel zo kunnen de negatieve gevolgen van droogte en wateroverlast zoveel als mogelijk opgevangen worden.

Peilbeheer is een subtiel spel waarbij het ontvangen van neerslag, het (tijdelijk) bergen en het afvoeren in onderling en samenhangend verband staan en met elkaar dienen te worden afgewogen. Bij die afweging dient rekening gehouden te worden met de veiligheid van personen en hun goederen, de natuur en ecologische systemen.
Water bufferen om aan te wenden in droogteperiodes, zonder het creëren van wateroverlast in natte periodes is dé uitdaging waar waterbeheerders nu voorstaan. Allerlei watergebonden kunstwerken zoals onder andere stuwen, waterinlaatconstructies en pompen maken het mogelijk om bepaalde peilen na te streven.

Hoogwaterbeheer: beheersing van de risico’s bij wateroverlast

Wanneer een langdurige en erg natte periode voorspeld wordt, dient er voldoende buffervolume voorzien te worden in de waterlopen opdat de landerijen en bebouwde zones geen schade door wateroverlast zouden ondervinden. Tijdens de wintermaanden is de bodem reeds veelal verzadigd, waardoor het buffervolume en de infiltratiecapaciteit kleiner is en de natuurlijke afstroom bijgevolg veel groter. Het tegenovergestelde probleem doet zich tijdens de zomermaanden in extreme droge periodes ook voor, wanneer de bodem hard is door droogte en bijgevolg weinig/niet doorlaatbaar.
Een bijkomende moeilijkheid is dat polders voor hun afwatering afhankelijk zijn van de getijdenwerking op zee. Polders zijn laaggelegen en vlakke gebieden. Het peil op zee, waarin gravitair geloosd wordt, dient dan ook lager te zijn dan dat van het erin afwaterende waterlichaam. De beste lozingsvoorwaarden doen zich dan ook voor bij springtij, waarbij de peilfluctuatie op de Noordzee het grootst is en dus niet alleen de hoogste waterstanden op zee bereikt worden, maar ook de laagste. Bij doodtij is er slechts een gering verschil tussen eb en vloed waardoor de lozingsmogelijkheden eerder beperkt zijn. Bijgevolg kan voor die gebieden die voor hun waterhuishouding van het getij afhankelijk zijn, zoals de polders, nooit volledige garantie op droge voeten gegeven worden.

Wanneer gravitaire lozing onvoldoende is en wateroverlast dreigt, beschikt het polderbestuur over meerdere pompgemalen die overtollig water kunnen verpompen om zo waterschade te voorkomen:

  • Het pompgemaal op de RONSELAREBEEK in Dudzele verpompt overtollig water van voornamelijk de regio’s Koolkerke en Dudzele in het Schipdonkkanaal.

  • Het pompgemaal op de HOOFDSLOOT in Moerbrugge verpompt het water komende van ver Assebroek en een gedeelte van Oostkamp en Oedelem (Beernem) richting het kanaal Gent-Oostende.
  • Het pompgemaal op de ISABELLAVAART in Zeebrugge verpompt het water van Zeebrugge-dorp rechtstreeks in het zeedok.

  • mobiele pompen die ingezet kunnen worden op de uitmonding van de Isabellavaart, de Noordwatergang, de Zuidwatergang en de Zwinnevaart en het water versneld kunnen laten afstromen in het Leopoldkanaal.
  • Het pompgemaal op de NIEUWE WATERGANG in Knokke-Heist heeft onder andere twee noodpompen waarmee overtollig water vanuit Westkapelle overgepompt kan worden naar het Zwin/zee.

Het zuidelijke deel van de Oostkustpolder behoort tot de zandstreek, met niveaus variërend tussen de 4,00 m (Assebroekse Meersen) en 24,10 m TAW (cuestagebied van Oedelem). Het peilbeheer wijkt in dit hellend gebied uiteraard sterk af van dat in de polderstreek en is er voornamelijk op gericht het water zoveel als mogelijk op te houden in de stroomopwaartse gebieden ter vrijwaring van de stroomafwaartse gebieden. Eens het water de lage zones heeft bereikt, met het gevaar van wateroverlast of mogelijke overstromingen tot gevolg, komt het er dan wel op aan de lozingsmogelijkheden naar de afvoerkanalen (Gentse Vaart, Zuidervaart en Leopoldkanaal) optimaal te benutten.

Laagwaterbeheer: tegengaan van verdroging

Het tegengaan van verdroging en verzilting is een belangrijk kernaspect in het waterbeheer.  Om hierop in te spelen, worden traditioneel in het zomerhalfjaar hogere peilen ingesteld. De Oostkustpolder beschikt over vele stuwen en mogelijkheden tot kunstmatige aanvulling van het oppervlaktewater:

  • gebruik van het effluent van de RWZI Heist: Het gezuiverde water van de RWZI Heist dat anders in het Leopoldkanaal geloosd wordt, kan via een tapsysteem dat de polder gebouwd heeft gecontroleerd in het polderwaterlopenstelsel geleid worden.
  • elf watercaptatiepunten op de Damse Vaart verspreid over de gehele lengte en verspreid over de oostelijke en westelijke oever
  • één waterinlaatconstructie op de Brugse Ringvaart ter hoogte van de Dampoortbrug: Via deze waterinlaatconstructie komt zoet water terecht in de Zijdelingse Vaart. Via de vele zijwaterlopen van de Zijdelingse Vaart wordt Koolkerke en Dudzele bevloeid, in totaal ca 2.500 ha
  • terugvloei vanuit het kanaal Gent-Oostende via het afvoerkanaal van de Hoofdsloot te Oostkamp

De droogteproblematiek waarmee we de afgelopen jaren geconfronteerd werden heeft ertoe geleid dat er nu ook tijdens de wintermaanden, wanneer en waar mogelijk, hogere waterpeilen worden ingesteld. Zodoende kan extra ingezet worden op infiltratie en vasthouden van water. Alertheid is hierbij geboden en de weersvoorspellingen dienen nauwgezet te worden opgevolgd zodat tijdig ingegrepen kan worden.

Bevloeiingspunten in de Oostkustpolder

Waterinfo

Om een dynamisch peilbeheer te kunnen voeren, zijn meetgegevens nodig.  Dynamisch peilbeheer betekent dat de waterbeheerder streeft naar een peil dat maatschappelijk zo breed mogelijk gedragen is en zo veel als mogelijk gedifferentieerd is in tijd en ruimte.  In het gebied staan op verschillende locaties peilmeters. De geregistreerde peilen zijn raadpleegbaar op de waterinfo.be, een digitaal platform van de VMM waar vele gegevens met betrekking tot water en neerslag raadpleegbaar zijn.

Onderhoud en instandhouding van het waterlopenstelsel

Een hoofdtaak van een polder bestaat erin zijn waterlopenstelsel te onderhouden. Dit is van groot belang om de waterdoorvoer steeds zo goed mogelijk te kunnen garanderen.

Het aaneengeschakelde netwerk van kilometers lange waterlopen leidt het water bij hevige en/of aanhoudende neerslag richting kanalen en deze op hun beurt naar de zee. Het zijn dezelfde waterlopen die in droogteperiodes het water doorheen het poldergebied sturen om zoveel mogelijk te bevloeien en verzilting en verdroging tegen te gaan.

Maaiwerken

Tijdens de maaiwerken wordt de vegetatie in de waterlopen gemaaid. Er zijn twee soorten maaiwerken, afhankelijk van het moment waarop het maaien plaatsvindt. De zomermaaiwerken starten vanaf 15 juni en zijn van toepassing op de waterlopen die een cruciale rol vervullen in de bevloeiing of afwatering van een waterbekken. Enkel de begroeiing op de bodem van de waterloop wordt gemaaid ; vegetatie op de oevers blijft staan ten voordele van poldervogels en natuur.
De gewone (najaars-)maaiwerken starten na 15 augustus en omvatten het volledig maaien van de waterlopen. Waar mogelijk wordt gedifferentieerd gemaaid waarbij taluds alternerend aan de beurt komen. Zo blijft er hier en daar meerjarig riet staan waar vogels tijdens de wintermaanden beschutting en voedsel kunnen vinden.
Op akkerland wordt de reitspecie verbrijzeld. Op die manier kan het riet onder geploegd worden.

Ruimingswerken

Bij het ruimen van een waterloop wordt het slib verwijderd om de waterdoorvoer steeds zo goed mogelijk te kunnen garanderen.

Oeverbeschermingswerken

Het in goede staat bewaren van de oevers en taluds maakt ook deel uit van het onderhouden van een waterloop. Dit kan zich vertalen in bijvoorbeeld het plaatsen van oeverversterking of het heraanleggen van oevers. Hierbij wordt steeds een natuurvriendelijke aanpak nagestreefd

Dijken -en bomenbeheer

Als waterbeheerder van oudsher is de polder eigenaar van verscheidene historische zeedijken:

  • Groenendijk in Lapscheure (Damme)
  • Hazegraspolderdijk (Knokke-Heist)
  • Landsdijk in Lapscheure (Damme)
  • Zeedijk in Lapscheure (Damme)

Sommige dijken zijn opgenomen in een samenwerkingsovereenkomst met de provincie West-Vlaanderen:

  • Burkeldijk in Knokke-Heist
  • Dikke Dijk in Knokke-Heist
  • Dijklichaam langs de Roden Ossenstraat in Knokke-Heist
  • Greveningedijk in Knokke-Heist
  • Krinkeldijk in Damme
  • Mostaertdijk in Knokke-Heist
  • Romboutswervedijk in Damme

Binnen deze samenwerkingsovereenkomst worden de dijken jaarlijks tweemaal gemaaid. Een eerste maaibeurt vindt plaats na 15 juni, de tweede na 15 september. Het maaisel wordt steeds afgevoerd. Dit wordt zo gedaan met het oog op het voeren van een botanisch beheer om een variëteit aan bloemsoorten en kruiden te doen ontstaan.
De Mostaertdijk, het dijklichaam langs het oostelijk deel van de Roden Ossenstraat en de Dikke Dijk in Knokke-Heist worden gemaaid in samenwerking met lokale landbouwers.
Op een gedeelte van de Krinkeldijk in Damme wordt in samenwerking met een lokale landbouwer graasbeheer met kalveren toegepast.
Daarnaast valt het periodiek onderhoud van de dijkbermen, bomen, knotwilgen en het struweel langs deze dijken onder het dijkenbeheer.

De Oostkustpolder heeft daarnaast nog heel wat bomen onder haar beheer. Het gaat vooral om bomenrijen bestaande uit populieren, meestal Marilandica’s, die door hun omvang en positionering het landschap markeren. Deze bomen staan vooral op bovengenoemde dijken, maar ook langs enkele straten in Damme (voormalige ‘polderwegen’): Pompestraat, Amelinsbrugstraat, Zaalkeetstraat en Zuidbroekstraat.

Ratten -en exotenbestrijding

De polder is verantwoordelijk voor het bestrijden van ratten en exoten in en rond de waterlopen in zijn gebied. Dit gebeurt in samenwerking met de steden en gemeenten waarover de polder zich uitstrekt, de provincie West-Vlaanderen en de Vlaamse overheid.
De Oostkustpolder bestrijdt geen ratten op privéterrein.

Indien u ratten opmerkt in een waterloop onder beheer van de Oostkustpolder, meld dit dan zeker.

De ratten- en exotenbestrijding omvat het verdelgen van ratten en het bestrijden van allerlei exotische plantensoorten.

Rattenbestrijding

Rattenbestrijding behelst zowel de vangst van ratten als van muskusratten.
Ratten graven vaak ‘burchten’ in de oevers en kunnen zo grote schade toebrengen aan de taluds. Daarnaast kunnen ze ook heel wat schade aanrichten aan landbouwgewassen.

Ganzenbestrijding

Daarnaast worden de laatste jaren ook steeds meer ganzen bestreden. Grauwe gans en Canadese gans zijn vaak oorzaak van schade aan gewassen. In mindere mate worden ook de Indische gans en de Nijlgans waargenomen. Met de provincie West-Vlaanderen en het agentschap Natuur en Bos zijn afspraken gemaakt om door het schudden of prikken van de eieren tijdens de broedperiode de populaties terug te dringen.

Japanse Duizendknoop

De Japanse Duizendknoop groeit vaak op de taluds van een waterloop en overwoekert met zijn gesloten bladerdek de andere bestaande vegetatie. Hierdoor wordt het vasthouden van de talud door de andere planten ondermijnd. Door de groeikracht van zijn wortelstokken kan hij ook schade berokkenen aan funderingen, rioleringen, etc.. De plant wordt gekenmerkt door een dicht bladerdek met driehoekvormige bladeren, rode stengels die tot 4 m hoog kunnen worden en witte bloemen. De plant breidt zich erg snel uit. Tot op heden is echter nog niet gekend hoe deze plant het best bestreden kan worden. De meest recente strategie is om kleine haarden te bestrijden en nazorg te voorzien om de plant in te dijken of uit te roeien; voor grote haarden waar intensieve langdurige bestrijding niet haalbaar is, is nulbeheer aangewezen, onder meer om verdere verspreiding te beperken. Enkel indien er schade aan constructies optreedt of het waterbeheer wordt belemmerd, wordt er toch bestreden.

Grote Waternavel

De Grote Waternavel overwoekert met zijn dicht bladerdek de waterloop en verdringt zo het waterleven. Daarnaast kan hij door opeenhoping de waterdoorvoer belemmeren en zo ook overstromingen veroorzaken.
De beste manier om deze plant te bestrijden is het uittrekken met de wortel. Bij een grote massa is dit niet eenvoudig en moet een kraan eerst het meeste wegscheppen.

Waterpest

Waterpest wortelt in oevers en breidt zich snel uit over het wateroppervlak. Hierdoor kan ze de waterdoorvoer belemmeren. In het stroomgebied van de Hoofdsloot in Oostkamp komt deze veel voor. Waterpest wordt het best gemaaid.

Reuzenberenklauw

Reuzenberenklauw heeft een dikke wortel en stengels met grote bladeren en kleine witte bloemetjes. Het sap die in de stengels zit, veroorzaakt in combinatie met zon erge brandwonden. De Reuzenberenklauw komt vaak voor in de nabijheid van waterlopen. De bestrijdingsmethode is het uitstekken van de wortel vooraleer de plant in bloei komt.

Waterteunisbloem

Waterteunisbloem heeft drijvende, lange lepelvormige bladeren en gele bloemen. De plant vormt een dicht pakket op het water waardoor de waterdoorvoer in het gedrang kan komen. Veel ervaring met het bestrijden van deze exoot is er nog niet. De plant wordt het best systematisch handmatig verwijderd.

Adviesverlening bij omgevingsvergunningsaanvragen en projecten in het gebied

De Oostkustpolder verleent als waterbeheerder advies op projecten / vergunningsaanvragen binnen haar ambtsgebied. Deze adviesverlening kadert in de watertoets, een instrument van het integraal waterbeleid. De watertoets maakt een inschatting van de impact van een project/ vergunningsaanvraag op het watersysteem. Het advies van de waterbeheerder wordt door de vergunningsverlenende overheden als waterparagraaf opgenomen in de vergunning. In het advies kan de waterbeheerder bepaalde voorwaarden opleggen om de negatieve impact van een project te compenseren. Een aanvraag dient te voldoen aan de gewestelijke stedenbouwkundige verordening (GSV) inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater (5 juli 2013). In geval het project echter gelegen is in een effectief overstromingsgevoelige zone en/of er sprake is van een grote totale bijkomende verharde oppervlakte en de impact op het watersysteem bijgevolg ook groot is, worden verstrengde voorwaarden opgelegd zoals bijvoorbeeld het voorzien van een groter buffervolume.

De verharde oppervlakte dient zo beperkt mogelijk gehouden te worden. Zoveel mogelijk hemelwater dient opgevangen en hergebruikt te worden (hemelwaterput). Water dat niet opgevangen wordt in een hemelwaterput moet zoveel mogelijk geïnfiltreerd worden ten voordele van de grondwaterstanden. Het hemelwater dat niet kan infiltreren, dient opgevangen te worden in een buffersysteem om later alsnog te infiltreren ofwel om vertraagd af te voeren en zo het watersysteem niet te overbelasten. Hemelwater lozen in het RWA stelsel dient zo veel mogelijk vermeden te worden.

De watertoets is verplicht voor de vergunningen en de plannen die zijn opgesomd in het decreet Integraal Waterbeleid. Sinds 1 maart 2012 is een aangepast uitvoeringsbesluit van de watertoets van kracht die ook de lijst van vergunningen en plannen die aan de watertoets moeten onderworpen worden, uitbreidt. Een overzicht van de vergunningen en plannen die onderworpen zijn aan de watertoets is raadpleegbaar op de website van de Coördinatiecommissie Integraal Waterbeleid (CIW). https://www.integraalwaterbeleid.be/nl/beleidsinstrumenten/watertoets/de-watertoets.